Op Paasdag op wandel niet ver van mijn huis kom ik een oude vriend tegen. Niet dat de vriend oud is. Toch niet ouder dan ik. Toch niet meer dan een maand of vijf. Wel kennen we elkaar inmiddels langer dan zestig jaar - zulke vrienden mag je met recht oude vrienden noemen.
We bevinden ons op de Mechelen - Terneuzenwegel. Zelf kom ik uit de richting van Mechelen, mijn vriend en zijn gade komen uit Terneuzen. Het is mijn zoon, die met zijn gade met me mee stapt, die de vriend het eerst heeft gespot.
We houden halt en wisselen groeten uit. Informeren naar elkaars wandeling, vergelijken hoe vaak we onze kinderen zagen het voorbije jaar. Niet vaak. We maken een grap over de Ronde van Vlaanderen, we nemen weer afscheid en vervolgen onze weg, niet voor we afgesproken hebben voor een borrel in de tuin op een van de eerst volgende zonnige lentedagen.
Moraal: Waar men ga langs Vlaamse wegen*, komt men altijd iemand tegen.
Dubbele moraal: Blijf binnen in tijden van pandemie, kom vooral veel buiten.
(* Oude hoeve, huis of tronk. Uit hetzelfde lied: Moge 't nimmer hier verand'ren.)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten