zaterdag 2 december 2017

2 december


Zo ben ik een schrijver van korte verhalen. Niet een schrijver van Romans. Romans zijn dikke boeken die andere schrijvers schrijven; de meeste slecht of overbodig en vol gezochte vondsten, maar niettemin aangeleverd in een voortdurende stroom van middelmatigheid.

Ik citeer maar even uit De langste adem in De Verhalen van L.H. Wiener, deel II. Omdat mensen nu eenmaal graag citeren wat ze graag horen (en wie ze graag lezen).

Hier is trouwens nog zo'n citaat, van Niccolo Ammaniti in zijn voorwoord bij de verhalenbundel Een delicaat moment:

Vriendelijk zei hij dat hij geen korte verhalen wilde, die verkochten niet, maar als ik een nieuwe roman zou schrijven, zou hij die graag lezen en indien geschikt publiceren.

Dit ging over zijn verhalenbundel Fango, die eerst door de uitgever geweigerd werd, en later toch uitgegeven, samen met, als lijvige toevoeging, iets dat het midden hield tussen een lang verhaal en een roman.

In dat voorwoord legt Ammaniti op de hem eigen boeiende wijze het verschil uit tussen een roman en een kort verhaal, en hoe ze op heel verschillende wijze tot stand komen.

Romans zijn monnikenwerk. Misschien hou ik daarom wel van korte verhalen. Dat is rennen met je ogen dicht. Dat zijn krachtsprinten. Aan een roman bouw je moeizaam overdag, een kort verhaal bloeit 's nachts op en moet direct worden neergeschreven. Als het daglicht komt, moet je stoppen en wachten tot het weer donker is.

Nachtwerk dus. Bij nogal wat schrijvers komt er ook een fles aan te pas. Met Koningswater in het geval van Wiener, al geeft hij toe dat bij hem het schrijven stil valt als het drinken op gang komt.

Waarom vertel ik dit allemaal? Geen idee. Zomaar. Het late uur, wellicht.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten