Zo ben ik een
schrijver van korte verhalen. Niet een schrijver van Romans. Romans
zijn dikke boeken die andere schrijvers schrijven; de meeste slecht
of overbodig en vol gezochte vondsten, maar niettemin aangeleverd in
een voortdurende stroom van middelmatigheid.
Ik
citeer maar even uit De langste adem in De Verhalen van
L.H. Wiener, deel II. Omdat mensen nu eenmaal graag citeren
wat ze graag horen (en wie ze graag lezen).
Hier
is trouwens nog zo'n citaat, van Niccolo Ammaniti in zijn voorwoord
bij de verhalenbundel Een delicaat moment:
Vriendelijk zei hij
dat hij geen korte verhalen wilde, die verkochten niet, maar als ik
een nieuwe roman zou schrijven, zou hij die graag lezen en indien
geschikt publiceren.
Dit
ging over zijn verhalenbundel Fango, die eerst door de
uitgever geweigerd werd, en later toch uitgegeven, samen met, als
lijvige toevoeging, iets dat het midden hield tussen een lang
verhaal en een roman.
In
dat voorwoord legt Ammaniti op de hem eigen
boeiende wijze het verschil uit tussen een roman en een kort verhaal,
en hoe ze op heel verschillende wijze tot stand komen.
Romans
zijn monnikenwerk. Misschien hou ik daarom wel van korte verhalen.
Dat is rennen met je ogen dicht. Dat zijn krachtsprinten. Aan een
roman bouw je moeizaam overdag, een kort verhaal bloeit 's nachts
op en moet direct worden neergeschreven. Als het daglicht komt,
moet je stoppen en wachten tot het weer donker is.
Nachtwerk
dus. Bij nogal wat schrijvers komt er ook een fles aan te pas. Met
Koningswater in het geval van Wiener, al geeft hij toe dat bij
hem het schrijven stil valt als het drinken op gang komt.
Waarom
vertel ik dit allemaal? Geen idee. Zomaar. Het late uur, wellicht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten