woensdag 14 september 2011

13 september

 
'Shop till you drop', zag ik vandaag op een winkelruit in een van de bredere winkelstraten van Antwerpen. Wie op zoek is naar een inspirerend motto, voilà. Nogal wat mensen zijn dat, als je de klachten hoort over het ontbreken van normen- en waardenbesef, of over de moeilijke zoektocht naar zingeving in dit aardse bestaan.
Even rond mij kijkend, zag ik inderdaad hopen mensen met kleurige plastic zakjes shoppend en droppend rondlopen. Net voor ik bij mezelf weer iets maatschappijkritisch wou denken, merkte ik het kleurige plastic Fnac-zakje dat ik zelf in mijn hand hield. CD-tje gekocht. Pas op, 't was voor een cadeau. Dat telt niet mee, vind ik. 
 

donderdag 8 september 2011

7 september

 
Tegengekomen, voor het eerst: het woordje bullshitfilter. In een gesprek met Erwin Mortier in DM, het magazine van De Morgen van 3 september.

'Je bouwt met de jaren een steeds strengere bullshitfilter in; de lijst van wat ik allemaal irrelevant vind, dreigt met de dag uitgebreider uit te vallen', zegt Mortier.

The ability to notice and disregard other people's bullshit , zo wordt bullshit filter gedefinieerd in de Urban Dictionary. Het vermogen om de flauwekul die andere mensen uitkramen te horen en te negeren. Let vooral op 'other people's'.

Zelf zet ik al jaren de radio af zogauw de reclamespotjes beginnen, waardoor ik al talloze keren het journaal heb gemist. Het maakt niets uit, heb ik intussen geleerd. 'Slecht weer, ook goed, schijnt de zon, ook goed', zegt Erwin Mortier. Hij noemt het 'glorierijke gelatenheid'.

Mortier vindt dat zijn filter te streng wordt, maar volgens mij ligt het niet aan de filter. Het ligt aan de bullshit, die in al maar grotere, bredere en modderigere stromen uit steeds meer gaten en kieren op ons afkomt.

Ik hou niet van het woordje bullshit. Zo'n filter die de balast, het gedoe en de zever in pakskes tegenhoudt, dat wel. Other people's, dat ook wel.

(Met excuus voor het schaamteloos uit hun verband rukken van de citaten. In het artikel praat Erwin Mortier met Yves Desmet over de ziekte van zijn moeder en Gestameld liedboek, het boek dat hij daarover geschreven heeft. )

donderdag 1 september 2011

1 september

 
Het accountantskantoor Grant Thornton doet in het VK elk jaar een studie over echtscheidingen. Waarom ze dat doen weet ik niet, maar dit jaar hebben ze wél iets gevonden: buitenechtelijke affaires zijn niet langer de eerste reden (25%) tot echtscheiding. Die is nu 'falling out of love' (27%). Andere redenen zijn 'onredelijk gedrag' (17%) en midlife crisis (10%).

Ik stel me een man of vrouw aan de ontbijttafel voor, die zijn of haar kopje thee neerzet en zegt: 'Darling, I'm so out of love with you!'.
Hoe zeg je dat in 't Nederlands? Niet dat ik dat nu direct moet weten.

Verder intrigeert me het 'onredelijk gedrag'. Als alleen koppels die allebei redelijk zijn het huwelijk overeind moeten houden, is een verdere afkalving van het instituut niet te vermijden.
'Hoe gaat het met jullie huwelijk?'
'Redelijk'.
Niet zo best, dan.

dinsdag 30 augustus 2011

30 augustus

 
Er zijn kleinkindjes en kleinkindjes, maar hoe klein ook, ze worden allengs groter. Eentje zei gisteren: 'Nee, want papa heeft geen annuleringsverzekering'. Ik had geopperd dat papa en mama best nog een paar dagjes vakantie bij konden nemen in Barcelona. 
Vandaag doet ze toeren op de trampoline. Ze roept: 'Nu le moment suprème!' en voert een soort beginnende salto uit. Mijn opa-rol is aan een update toe. Zeg maar een upgrade. 'Dat was een flauw grapje, opa', vermaant mij oma aan tafel, terwijl de kleinkindjes beleefd maar meewarig glimlachen. Tja, misschien later nog eens, met de achterkleintjes. 
 

donderdag 25 augustus 2011

18 augustus

 
Ik lees een kopje in De Morgen van dinsdag 1 februari 2011: 'Christophe Vekeman praat met Joost Zwagerman'. Daaronder een citaat: 'Ik probeer onbevangen naar kunst te kijken, zonder de ruis van te veel voorkennis'.

Dat ik dat kopje nu pas te zien krijgt, komt doordat het toevallig op de pagina staat waar ook de dagelijkse sudoku's staan, die ik altijd bewaar voor mijn gade, zoals bekend een bevlogen sudoka.

Kijk,voor dat citaat wil ik vast een plekje reserveren in het Woordenboek van Pompeuze en Pretentieuze Taal dat iemand toch ooit zal moeten maken.

'Ik weet best heel wat over kunst, maar dat probeer ik te vergeten als ik ernaar kijk', had Joost Zwagerman bijvoorbeeld kunnen zeggen. Of zelfs: 'Ik kijk graag naar kunst, al weet ik er ook weer niet zoveel van af'. 

Is dat nu zo moeilijk? Ik heb dat ook, en met mij vele mensen die ook graag naar Telemann luisteren of een pavé de boeuf à l'échalote maken zonder de ruis van te veel voorkennis. 
 

donderdag 11 augustus 2011

10 augustus




Gelezen, van Niccolò Ammaniti, Laat het feest beginnen (Che la festa cominci).

Een boek met een onwaarschijnlijk Suske-en-Wiskegehalte, waarin iedereen wild in het rond rent, ook olifanten. Ammaniti haalt de meest ondenkbare fratsen uit de kast, het wemelt van de geflipte personages en de special effects, en als dat nog niet genoeg is verschijnen ver voorbij de helft van het verhaal plots een soort trollen op het toneel, die zich in de Romeinse catacomben in leven houden met het afval van de stad.

Het zijn voormalige Sovjetatleten die op de Olympische Spelen van 1960 in Rome zijn ondergedoken om aan het trieste communisme te ontsnappen, en hun nakomelingen. Ze zien er nogal raar uit, enorme wezens, 'omwikkeld met dekens van vet'. 'De nieuwe generaties waren dik, hadden ernstige gebitsproblemen en hun huid was heel bleek'. 'Het klinkt misschien ongelooflijk,' zegt Ammaniti, 'maar in bijna vijftig jaar tijd heeft niemand hun aanwezigheid opgemerkt'.

We zijn op pagina 247 van 302, wie tot hier geraakt is vindt niets nog ongelooflijk. Ook niet dat 'nieuwe generaties' van Sovjetatleten in nog geen vijftig jaar evolueren van scherpe gespierde sportlui naar vetballen van tweehonderd kilo met rode oogjes die in het donker kunnen zien en, 'als rechtstreekse afstammelingen van atleten', ook nog eens 'bijzonder lenig en sterk' zijn.

Het is wachten tot er vliegende schotels op het toneel verschijnen, en even lijkt het of het zover is:
'Ook Piero Restori verplaatste zijn blik omhoog en zag in de bewolkte hemel een zwarte schijf die ronddraaide boven de gebouwen, boven de weg'. Vals alarm, helaas, want 'Hij kon nog net op tijd zien dat het een putdeksel was'.

Wie wil weten waar het boek over gaat, zal het zelf moeten lezen, of zich behelpen met de flaptekst. Nummer één op de Italiaanse bestsellerslijsten, staat daar, vóór Dan Brown.


Niccolò Ammaniti, Laat het feest beginnen

donderdag 21 juli 2011

21 juli

 
Voel ik me nu in de eerste plaats Belg, of Vlaming, of Europeaan misschien? Of wereldburger? Misschien West-Vlaming, nog altijd?
Pardon, ik voel niks. Ik bezit een identiteitskaart van Belg. Ik heb die zelf niet gevraagd, men heeft me laten weten dat ik die moest gaan halen, op straffe van een boel narigheid.
Ik ben geboren in de provincie West-Vlaanderen, zoals ook mijn ouders en hun ouders. Ook die omstandigheid is niet aan mezelf te danken (of te wijten).
Ik woon in het deel van België dat tegenwoordig het Gewest Vlaanderen heet. Dat Gewest is een recent politiek-administratief-ideologisch-nostalgisch bedenksel, waar ik al evenmin iets bij voel, of het zou ergernis moeten zijn.
Wat Europa betreft, wil iemand mij eindelijk vertellen waar dat begint en vooral eindigt? Aan de Oeral? De Kaukasus? Voor mij niet gelaten, maar voelen - nee.
Wereldburger, dat zou mooi zijn. Alleen is daar is nog geen loket voor. Ook geen vlag of hymne, gelukkig. Ik vrees dat het niet meer voor mij is. Toch ben ik vast aan het oefenen. Heel af en toe, meestal 's ochtends na een goede nachtrust, bij een zacht gekookt eitje en een bakje koffie, wil het eens lukken. Dan voel ik me al een beetje wereldburger. Daar ben ik dan een beetje fier op.

dinsdag 19 juli 2011

19 juli




Gelezen, van Niccolò Ammaniti: Jij en ik (Io e te).
Een prachtig, klassiek opgebouwd en met grote beheersing geschreven verhaal over de jonge Lorenzo en zijn halfzusje Olivia, moeilijke kinderen elk op zijn manier, en de ouders die er als steeds volkomen hulpeloos bijlopen.

Ook gelezen, ook van Niccolò Ammaniti: Zo God het wil (Come Dio commanda).
Het valt een beetje tegen. Goed gevulde plot, daar niet van, en kleurrijke hoofdrollen: marginale, aan alcohol verslaafde of anderszins geschifte types, een sociaal werker die niet kan kiezen tussen god en Ida, de vrouw van zijn vriend, de directeur van de Dienst Gemeentelijke Gezondheidszorg. Twee wilde schoolmeisjes, waarvan een haar vader Stront noemt. Het gaat er ruig aan toe, er wordt gevochten, geschoten (op de hond van de oude Castardin), verkracht en gemoord. Ongelukken slaan toe, dom en wreed. De God uit de titel wordt vroeg of laat door iedereen te hulp geroepen: God, zeg mij wat ik moet doen! Maar ze hadden het kunnen weten, Hij is niet thuis.

Het is nogal veel, en het overspannen taalgebruik helpt niet. Rino kreeg het gevoel alsof iemand zijn buik had opengesneden en tegelijkertijd een sok door zijn luchtpijp had geduwd. Of:
Zijn ingewanden trokken samen in een pijnlijke kramp en zijn scrotum verschrompelde tussen zijn benen, terwijl de angst door zijn aderen kroop.

Wat ook niet helpt zijn de vele slordigheden in de Nederlandse vertaling (bij Lebowski Publishers in Amsterdam). Hij leidde aan een ernstige afwijking aan zijn hypofyse (...) De vertaler mag onder tijdsdruk gerust wat steekjes laten vallen, maar bij Lebowski hebben ze niemand om die weer op te rapen.

Is er niets goed? Rino Zena en zijn zoon Cristiano. Zij zijn echt goed. Goed en slecht zijn nooit wat ze lijken bij Ammaniti.

Niccolò Ammaniti, Jij en ik
Niccolò Ammaniti, Zo God het wil

woensdag 13 juli 2011

13 juli

 
Wetten heten ingewikkeld te zijn, op het onleesbare af. Eenieder wordt geacht de wet te kennen, zegt men dan, maar probeer hem maar eens te verstaan. Daar zijn advocaten voor: om de wet te lezen, liefst op de manier die hun klant, pardon cliënt, en uiteindelijk henzelf het beste uitkomt.


Toch zijn er wel simpele wetten. Ik kwam er een tegen in de Libération, in een stuk over de scheiding tussen kerk en staat. Het ging over de basiliek van Notre-Dame de Fourvière in Lyon, een pompeus bouwsel dat hoog boven de stad uitsteekt, zoals kerken dat graag doen.

De Fourvièrestichting, eigenaar van de site, wilde een lift bouwen om de mensen, ook in een rolstoel, makkelijk naar de basiliek te brengen. In april 2002 heeft de gemeenteraad van Lyon een subsidie aan de stichting goedgekeurd.

Maar de Fédération de la libre-pensée van het departement Rhône heeft daartegen een klacht neergelegd. De stad Lyon hoort geen geld te geven om gelovigen naar de kerk te brengen, zegt de federatie. Dat is tegen het beginsel van de scheiding van kerk en staat, en tegen de wet van 9 december 1905: la République ne reconnaît, ne salarie, ni ne subventionne aucun culte.

Ziedaar een glasheldere wet. Toch vindt de procureur public dat de steun voor de lift OK is. De basiliek is niet alleen een culturele maar ook een toeristische plek, zegt de procureur. De installatie van een lift kan de plaatselijke economie ten goede komen, en dient verder ook het 'algemeen belang'. Ach het zal wel.

Uitspraak einde juli, voor de gerechtelijke vakantie van augustus, ruim negen jaar na de stemming in de gemeenteraad. De Franse wet mag dan simpeler zijn dan bij ons, veel sneller lijkt hij niet te werken. 

 

zaterdag 9 juli 2011

9 juli

 
Ik heb een foto genomen met dertien parapenters erop. Ze zweefden in kennelijke staat van verrukking door de avondlucht, bengelend van grote lappen stof in uiteenlopende kleuren, als zovele beddelakens. Ze noemen het een extreme sport, maar als je de verrekijker erbij haalt, of je loopt naar zo'n weitje waar ze moeten landen, dan blijkt dat die parapenters in een soort luie stoel zitten te hangen. Daar is weinig extreems aan, en ook niet zoveel sport, denk ik dan met mijn altoos maar slechter wordend karakter.

Het woordje sport is mogelijk een van de meest bedrieglijke marketingvondsten. Loop ik daar over zo'n bergwegeltje naar de lucht te kijken, met mijn fototoestelletje en mijn verrekijker, en voor ik het weet beoefen ik de wandelsport, weliswaar als recreant, maar het zou toch geen kwaad kunnen als ik me een beetje wandelsportuitrusting zou aanschaffen, zoals twee van die omgebouwde skistokken, en een paar wandelschoenen, en wandelsokken, en een set gore-tex ondergoed, een lichtgewicht rugzakje met dito veldfles, een kompas, een pakje snelle suikers, en nog een half dozijn accessoires waar ik zelfs het bestaan niet van ken. Geen nood, de gepaste winkelier zal ze me wel verkopen.

zondag 3 juli 2011

3 juli

 
In de Franse Libération van 2/3 juli las ik een stuk over de recentste ontwikkelingen in de affaire van Dominique Strauss-Kahn (La droite se tait pour ne pas déraper). Hoe rechts in Frankrijk nu blij is dat ze zich al die tijd zo gereserveerd hebben opgesteld. Als Strauss-Kahn plots buiten vervolging wordt gesteld, zullen zij tenminste niet gedwongen worden tot un rétropédalage embarassant.

Kijk dat is nu eerlijk taalgebruik.

Op een mooie dag zal iemand met meer werkijver dan ik zich zetten aan het opstellen van een Woordenboek Bedrieglijk Taalgebruik. Alfabetisch gerangschikt, rijk voorzien van definities en citaten uit gedrukte en digitale media, zal er een lange lijst in staan van woorden en frases die kwakzalvers en kleine charlatans gebruiken om brave lieden moedwillig een oor aan te naaien.

Zo zal er onder de V te vinden zijn: voortschrijdend inzicht.
Als citaat zal er de uitspraak in staan van een voormalig vrt-journalist in het vrt-programma Villa Politica van 16 juni 2011:
"Ik beken dat ik daar fors in geloofd heb, maar er bestaat ook zoiets als voortschrijdend inzicht, namelijk inzien dat het niet klopt, dat het niet juist is."

Waar de voormalige journalist vroeger in geloofde was het socialisme. Tegenwoordig gelooft hij in het Vlaams-nationalisme. Niemand zegt dat deze nouveau flamingant, als zijn inzicht nog wat verder voortgeschreden is, zich op een mooie dag niet tot pakweg de christendemocratie bekent, als zou blijken dat ook het Vlaams-nationalisme niet klopt, dat het niet juist is.

In minder bedrieglijk taalgebruik zou men zeggen dat zo iemand zijn kar draait, zijn frak volgens sommigen, of zijn kazak. Van mij mag het allemaal, maar het zou mogen leiden tot enige bescheidenheid. Blijf een tijdje binnen, denk nog wat langer na, hou vooral even je mond.

Niks te voortschrijdend inzicht. Rétropédalage embarassant, dat lijkt er beter op. 
 

maandag 27 juni 2011

27 juni

 
Soms stel ik me voor dat ik een hond heb. Hij is groot en slobbert en kwijlt en loopt in de weg zoals honden doen, en hij heet Stapper. Ik heb hem niet echt nodig, maar af en toe komt hij toch goed van pas. Ik kan tegen hem praten of roepen, naargelang ik beter of slechter gezind ben. Hoe is 't, Stapper, ouwe jongen, kan ik zeggen op een zonnige ochtend als de radio Bach speelt (Stapper is een mannetjeshond), of ik kan hem verrot schelden en onzeglijke dingen tegen hem schreeuwen, die ik tegen een mens nog niet zou durven denken. Omstaanders horen het, maar zij zeggen natuurlijk: ach, het is tegen de hond.
Als honden al ergens voor dienen, dan moet het dat zijn: als boksbal, als pispaal voor het humeur en het ego van het baasje. Of is het klankbord, doorgeefluik.
 

maandag 20 juni 2011

20 juni

 
Hoe diepzinnig zijn songteksten? Het hangt ervan af. De ene song is de andere niet.

Neem Leonard Cohen: wat een prachtige lyrics heeft die man niet bij elkaar geschreven. Diepzinnig? Zo klinken ze vast, maar zoals meer met erg diepe dingen het geval is: je krijgt de bodem niet meer te zien. 

Wat de goeie Leonard met zijn teksten bedoelt is me vaker dan niet een totaal raadsel, maar dat geeft niet. (Met Hugo Claus is het net zo. De Meester heeft zich nooit op veel songteksten laten betrappen. Het is wachten tot een begenadigde muzikant wat dingen van hem op muziek zet.)

Ik ken een songtekst die mij in alle opzichten tevreden stelt. Hij klinkt goed, en waar hij over gaat valt niet te betwisten. Hij is ook lekker kort, zodat ik hem van buiten ken, en met graagte zing onder de douche of bovenop de keukentafel als er niemand thuis is. Hij is van John Denver:

All this joy, all this sorrow
All this promise, all this pain
Such is life, such is being
Such is spirit, such is love.

De laatste regel bevalt mij al minder: spirit en love zijn me te wazig, maar vooruit. De rest van de song staat als een vuurtoren. 
 

dinsdag 14 juni 2011

14 juni


Aan het lezen, van Giorgio Bassani, Het verhaal van Ferrara (Il romanzo di Ferrara). Een boek van 739 pagina's, met korte verhalen en novelles, samen Bassati's verzameld werk. Als Bassati (1916-2000) een voetballer was, zou men hem vast een valse trage hebben genoemd. Zo gaan zijn verhalen vooruit: traag, lijzig, haast slaapverwekkend, maar als een spin weeft hij zijn web rond het schijnheilige, kleinburgerlijke, provinciale en vaak valse Ferrara (en Italië) ten tijde van het fascisme en kort na de tweede wereldoorlog, als oude fascisten en nieuwe socialisten ongemakkelijk lachend met elkaar de terrasjes delen en hard hun best doen om te vergeten wat is geweest.


'Kijk,' vervolgde hij, 'ik heb zo'n lage dunk van de menselijke natuur, en van het karakter van de Italianen in het bijzonder, dat ik ook voor mezelf niet kan instaan.' (De gouden bril)


Giorgio Bassani, Het verhaal van Ferrara
 

woensdag 8 juni 2011

8 juni


Als er toch een hemel zou bestaan, dan is daar een zee, en al wie in de hemel komt, mag er onbeperkt in zwemmen. Er zijn ook oesters te krijgen, maar daar gaat het nu niet over. Het zeewater is flink zout, wat het drijfvermogen bevordert. Dat is belangrijk voor minder goede zwemmers, die meer energie nodig hebben om boven water te blijven. 

Verdrinken kan natuurlijk niet in de hemel, maar er moet wel moeite gedaan worden om niet onder te gaan, anders kan er van zwemmen niet echt sprake meer zijn. 

Zwemmers die zoals ik alleen rugwaarts een beetje vooruitkomen, moeten ook in de hemel oppassen dat ze niet tegen iets opbotsen dat zich achter hen in het water bevindt. Achteruit zwemmen is niet zonder gevaar. 

Een keer ben ik ei zo na door een plankzeiler van achter aangevaren. Hij miste me op een haar, ik hoorde hem als een raceboot naast me door zoeven. Hij kwam me later op het strand vermanend toespreken: als het waait zijn de zwemmers door de golfslag niet zichtbaar en kunnen zij maar beter uit de weg blijven. 

Zwemmen in de zee: ik doe het zo vaak ik kan. Wachten op de hemel is nooit een slimme optie.