dinsdag 7 juli 2015

7 juli


'Eerste gespietste bij stratenlopen Pamplona'. Ja het tuig van het kalifaat heeft school gemaakt. Zelfs een doorgaans beleefde gazet als De Standaard stelt zijn smaak en zijn vocabularium met plezier een paar streepjes naar onder bij, ter genoegdoening van de adverteerders. En van de lezers, die dat allemaal wel spannend vinden zo thuis in de luie stoel. Bekijk video! Eerste gespietste, let wel, zaten we niet met z'n allen te wachten, kijkend naar het gedoe daar in Spanje, tot er eindelijk eentje op de hoorn ging? Ach het is zomer, het warm weer is officieel voorbij, wat zullen we het leesvolk nu weer voeren? A plate of cold sick dan maar.

maandag 6 juli 2015

6 juli


Sinds enige tijd bevind ik me op een plek die uitmunt door een weelde aan wuivende boomtoppen, klaterende watertjes, groene glooiingen en tsjirpende krekels, en verder de afwezigheid van WiFi hotspots. 

Wil ik deze en andere gedachten toch kenbaar maken aan de wereldbevolking, in de immer foute veronderstelling dat er altijd wel iemand zal zijn die ze zal willen kennen, dan moet ik me daar begeven waar ik eigenlijk niet wil zijn: het eethuis McDonalds. 

Zo'n eethuis is als een kerk: ik wil er niets mee te maken hebben, en toch loop ik er altijd weer binnen. Het zal de koelte zijn, in deze verhitte dagen. Het eethuis McDonalds, ik geef het node toe, beschikt over een bedachtzaam ingestelde klimaatregeling, waardoor het binnen in het etablissement, vooruit maar, aangenaam fris is. 

Bovendien kost een café allongé, om onduidelijke reden grand café genoemd, amper 1,10 euro. Die komt dan wel in een kartonnen bekertje met een dekseltje, alsof er in het eethuis McDonalds vliegen zouden zijn, die onverhoeds in je koffie kunnen belanden! 

Maar goed, voor amper 1,10 euro kun je er, naast slurpen van je grand café, onbeperkt het wereldwijde web betreden met, ik geef het ongaarne toe, een snelheid die op vele andere plaatsen geheel ondenkbaar is.

In dit eethuis genaamd McDonalds, waar ik met grote tegenzin kom, kan ik de gedachte kwijt, dat er een plek bestaat, waar de afwezigheid van WiFi ten enenmale onopgemerkt blijft, futiel geworden door het getsjirp van de krekels, het geklater van water, het wuiven van de boomtoppen en het glooiende groen.

donderdag 25 juni 2015

24 juni


Zolang zijn bestaan niet overtuigend aangetoond is, neem ik aan dat er geen hemel is. Dat neemt niet weg dat ik over de hemel mag fantaseren: stel dat hij wel bestond, hoe zou hij eruit zien?
Hij zou haast geheel uit water bestaan waar de zon op scheen, niet te koud, niet te warm, helder fris witblauwig water, diep genoeg zodat je niet kon staan, met veel zout erin dat het bovenblijven bevorderde, vrij van haaien en kwallen, afwisselend rimpelloos, licht deinend en stevig golvend, en waar het water dan toch ophield zou zand te zien zijn waar mensen op zaten en lagen, niet te veel, kindjes die met emmertjes in de weer waren, je zou hun stemmen horen, en de meeuwen ook, maar niet de jetski's, die zou je niet horen. Die zouden daar niet bestaan, in de hemel, als de hemel bestond.

zaterdag 20 juni 2015

20 juni


Le Rive Gauche, zou dat een drukfout zijn? Nee, het is een café. Bar – Bistronomie, staat er voor de duidelijkheid, al kan men zijn twijfels hebben over de precieze plaats van bistronomie in het culinaire landschap. Een paar huizen verder heb je overigens ook Le France, maar dat is dan weer een brasserie. Waar is de tijd dat een eetplek nog gewoon restaurant was, en een drinkplek café? En dat die gewoon Du Commerce heette? Ach, nu zeur ik weer, ik weet het. Oké dan, het uitzicht op les Halles en de Passerelle des Barques is er onovertroffen, op het terras van Le Rive Gauche. 

dinsdag 16 juni 2015

16 juni


Ça bosse!, zegt de taxichauffeur. Hij zegt het niet tegen mij, maar tegen de man van het Total-station, die naar verluidt een uitstekende automonteur is, monsieur Salvatore, aan te spreken als 'Sasa'. Dat hoor ik allemaal van mijn taxichauffeur, die per telefoon een afspraak voor mij wil regelen, omdat er iets met mijn auto is. Daarom zit ik ook in de taxi. We zijn op weg naar mijn garage, waar mijn auto staat waar iets mee is, dat de garage niet gevonden heeft. Dat is de officiële garage van mijn prestigieuze automerk dat ik hier niet noem. Dus ben ik nu in het onofficiële circuit beland, zoals dat gaat. Als de dokter het niet vindt, is er nog de gebedsgenezer. Thuis snel op het internet. Ça bosse wil zeggen: aan 't werken, een van de mogelijke antwoorden op de vraag Ça va? Niet onder gepensioneerden, bien sûr.

zondag 7 juni 2015

6 juni


Ik heb me al vroeger verbaasd over de vele manieren waarop de Fransen iets over het zeewater kunnen zeggen. Wie zich daar zoals ikzelf voor interesseert, hoeft maar op een willekeurig moment van de dag op het strand te gaan zitten, of liggen, en dan kun je het horen. Je hoeft niet eens te kijken. Even wachten, dan komt het wel.

Elle est bonne? hoor je een stem vragen. Het kan een jongemeisjesstem zijn, of een ouwemannenstem, of een kind of een rijpere dame, het maakt allemaal niets uit. Nu wachten op het antwoord. Oui, elle est bonne. Maar voor hetzelfde geld: Elle est un peu fraîche. Elle est plutôt froide. Elle est parfaite.

Er is niet zo veel verbeelding voor nodig, als je daar ligt met je ogen toe, om je voor te stellen dat elle niet het water is, maar een minnares, een oud lief, een vriendin van vroeger, een collega van het werk. Elle est glaciale.

Vandaag was ik op het strand, en toen hoorde ik iemand zeggen: Elle est brûlante. Toegegeven, het was een bloedhete dag, maar het water was op zijn best behaaglijk warm, dat wil zeggen lekker fris als je wat dieper gaat, in de richting van de gele boei waar de boten ook vaak aan de landkant voorbij varen, zodat het geen al te veilig idee is zover in zee te gaan. Ik bedoel in de étang, die velen ook de bassin noemen. Maar ik wijk af.

De stem was van een jonge vrouw, ik kon haar niet zien, want ik lag op mijn rug en mijn ogen waren toe, maar brûlante, het water van de Etang de Thau? Achteraf sprak ik erover met mijn gade, die de dingen altijd nuchterder inschat dan ikzelf. Ze zal het zand bedoeld hebben, zei mijn gade, dat zo heet was onder haar blote voeten. Maar dat is le sable. De zon? Le soleil. Het strand, jawel: la plage.

Elle est brûlante. Er is niet zoveel verbeelding nodig, of daar liggend op het strand met mijn ogen toe hoor ik de hemels hese stem van Harry Belafonte, in duet met Jennifer Warnes, het mag ook Sharon Brooks zijn, of Diane Reeves, of zelfs Nana Mouskouri. The light, it shines on me (her fire is burning me).
Ik zei het al, vandaag was een bloedhete dag.

zaterdag 30 mei 2015

29 mei


Af en toe heb ik dat wel: ik lees een boek, en ik vind het zo goed, ik zeg: kijk, zo'n boek, dat heb ik nog nooit gelezen. Dat is het beste boek dat ik ooit gelezen heb. Vaak al de tweede keer: Het verdriet van België, De Kapellekesbaan, London Fields. Nu weer Kalme chaos. Dat is echt wel het beste boek. Sandro Veronesi is een magiër.

'Begrijpt u?', schrijft hij op pagina 203, en ik ben in de war. Wie is hier aan het woord? Pietro Paladini, de verteller, voert een monologue intérieur, terwijl hij een grote portie overheerlijke spaghetti verorbert. Maar tegen wie heeft hij het dan ?

'Begrijpt u? Ik at die berg spaghetti en dacht aan niets anders meer. Ik dacht alleen hoe lekker het was en wat ik moest doen om hetzelfde gerecht nog eens te kunnen eten, en nog eens en nog eens.' 

Tegen niemand, zo blijkt. Of toch: hij heeft het tegen mij. Foert, perspectief, denkt Veronesi. Hij is zo in de ban van zijn eigen verhaal, hij vergeet even wie hij is. Hij kijkt van zijn laptop op, richt zijn blik op mij. 

'Begrijpt u?', zegt hij, en dan, zich weer herinnerend dat hij de schrijver is, schrijft hij het op. 'Begrijpt u?', schrijft hij. Ja ik heb het begrepen. Sandro Veronesi is een magiër.

28 mei


De ober van het terras met de mooie Italiaanse naam die ik helaas vergeten ben heeft de kunst van het converseren tot dicht in de buurt van de perfectie uitgepuurd. 'Sieur dame', zegt hij, ons begroetend. Wij retourneren zijn groet, mijn gade bestelt een glas wijn. 'Ça marche', zegt de ober, en kijkt naar mij. Ik wil een café allongé. 'Ça marche', zegt de ober, en marcheert af. Wat later horen we hem bij een naburig tafeltje. De mensen bestellen iets. 'Ça marche', zegt de ober. Kijk zo heb ik dat graag. Vriendelijke bediening, niet te veel woorden.

zondag 17 mei 2015

17 mei


Als de versleten krakkemikkige rode plastic stoeltjes en tafeltjes nog altijd niet vervangen zijn, dan weet je dat het weer een goed jaar wordt. Het is een bang moment, als we de hoek om komen gelopen, mijn gade en ik, en na weer een lange winter ons oog laten vallen op het terras met zicht op de bassin. Nee dus. Bij Sun Beach hebben ze wel geïnvesteerd in potig terrasmeubilair, in tinten van zwart en grijs zoals dat tegenwoordig mooi heet te zijn. Laat ze maar. Wij strijken neer au Tambourin, voor een glas roséwijn en een sirop de citron. Vele kindjes stoeien aan de waterkant, het is zondag. A demain, zeggen we later tegen de patronne, maar dat was fout. Ah non, zegt ze. Demain, c'est le repos du guerrier. Rustende krijgers, men mag ze nooit verstoren.

zaterdag 16 mei 2015

16 mei


Vandaag zijn twee eekhoorns met nest en al uit de boom gedonderd. Een mannetje en een wijfje. Het waaide hard. Zelf kreeg ik het nest ei zo na op mijn kop. De goede lieden van de Ligue pour la Protection des Oiseaux zullen écureuils no. 378 en 379 het flesje geven, en ze na een week of drie in de bomen loslaten. Als eerlijke vinder mag ik de komende weken per e-mail naar het verloop van de reddingsactie informeren. Wanneer zouden ze tandjes krijgen?

(met dank aan Carole)

vrijdag 15 mei 2015

15 mei


Vandaag geleerd dat champagne socialists in het Frans la gauche caviar heten. Dat stond in Libération, zelf ook een behoorlijk gauche krant. Die zat ik maar even te lezen op een bankje in de wind, met uitzicht op het haventje vol dobberende zeilbootjes. Niet een decor voor de verworpenen der aarde, ook. Meer The Financial Times, een blad van echte caviareters. Maar ik zat daar stil, en de mensen hebben mij gerust gelaten.

donderdag 7 mei 2015

7 mei


Kranten lezen gebeurt op eigen risico. Van moedeloosheid, of van totale wanhoop. Dan gaat het niet over de sportveslaggeving of het economisch nieuws, hooguit goed voor wat onbestemde neerslachtigheid. Het botte geweld, de onversneden kwaadaardigheid, de wreedheid, het bloedstollende cynisme: het is de slechtheid van zo vele mensen die altijd weer de adem afsnijdt.

Hoe kan dat toch? Ja, er zij goede en slechte mensen. Zo'n acht procent is echt goed, vond Harry Mulisch, of toch zijn personage Onno Quist in De ontdekking van de hemel. En acht procent is door en door slecht. De rest weet het niet zo goed, en kan even goed met de eerste als met de laatste acht meelopen. Elke dertiende mens moet je dus in de gaten houden, zei Mulisch, voor het gemak even afrondend naar boven.

Tot zover heb ik het wel begrepen. Maar toch: als de goede mensen een wereld voorstaan die aantoonbaar beter is dan die van de slechte: vrediger, mooier, duurzamer, aangenamer, hoe komt het dan dat zij die vierentachtig twijfelaars niet achter zich kunnen krijgen, of toch niet genoeg ervan om de verziekers, de verneukers, de verkloters eens en voor goed opzij te zetten?

Het komt wel goed, zegt Rutger Bregman in De geschiedenis van de vooruitgang. De wereld wordt met de dag beter, het gaat alleen traag. Wie achterom kijkt, ziet dat het vroeger nog een hoop slechter was. Dat zal dan wel. Té traag, vind ik toch.

Be good, zeggen de Engelsen. Maar wij zeggen: braaf zijn. Zou het daar kunnen zitten? Het misverstand dat goede mensen ook brave mensen zijn, en dus altijd maar op hun kop laten zitten? Mogelijk is acht procent van de mensen te goed opgevoed: beleefd blijven, niet dringen, niet tegenspreken. Dat vinden die andere acht prima. Zo bekeken gaat het minder over goed en slecht, dan over zwak en sterk.

The hammers and the nails, zo heb ik de mensheid ook nog horen indelen. Tja. Ik zei het al: van kranten lezen word je niet vrolijk.

maandag 27 april 2015

27 april


Soms schrijf ik een stukje, en als het af is, wis ik het weer. Het was niet goed, of het ging over iets dat er eigenlijk niet toe deed. Of iemand. Zoals vandaag, over Jean-Marie Dedecker en wat hij vindt van bootvluchtelingen en asielzoekers, kansarme paupers, die thuis horen in offshore detentiecentra naar Australisch model, honderd procent efficiënt. 'Ik weiger mee te huilen in het koor van de asielindustrie en de politiek correcten'. Eerlijk gezegd heb ik geen weet van mensen die zich zitten af te vragen in welke koren Jean-Marie dezer dagen nog meehuilt. Dat hij huilt, weet iedereen. Zo vaak, zo veel en zo hard dat niemand het nog hoort. Ik heb dat hier thuis met de hangklok ook.

vrijdag 17 april 2015

17 april


Hillary Clinton doet dus weer mee. Ik hoop dat ze niet wint. Dat is niet persoonlijk bedoeld. Hillary lijkt niet ongeschikter dan de concurrerende kandidaten, wat ook weer niet veel wil zeggen. Het is het dynastieke gedoe dat mij tegenstaat. Er mogen dan voorlopig geen Kennedy's meer meedoen, een Bush is er wel weer. Ik mag er niet aan denken dat deze Jeb zou kunnen winnen, en dat is wel persoonlijk bedoeld.

Als je aan het hoofd van het land iemand wilt die de zoon is van het voorgaande hoofd, of de broer, of allebei, of de echtgenote, of een nichtje of achterneefje, dan moet je er maar een koninkrijk van maken, zoals België, waar de Coburgsen altijd winnen. Ze hoeven zich niet eens kandidaat te stellen, ze worden gewonnen geboren. In het andere geval maak je een republiek, met een verkozen president, en dan zou er een wet moeten zijn die zonen en dochters en andere verwanten van deelname uitsluit, zoals dat bij normale wedstrijden gaat.

Hetzelfde zou moeten gelden voor parlementen, in koninkrijk én republiek, en voor alle verkiezingen, lokale, regionale en andere.
De bedoeling is niet dat de macht zich in één hoekje nestelt en er wortel schiet tot meerdere eer en glorie van een inteelterige kluit erfpotentaten die het land gebruiken als was het hun moestuintje. Menige kleine De Croo, Tobback en Van Rompuy zal het niet graag horen, maar ze horen daar niet. Dat is niet persoonlijk bedoeld.

maandag 6 april 2015

6 april


Toen ik klein was, nam mijn vader ons mee om te kijken naar de Ronde van Vlaanderen. We gingen ergens staan waar je ze van ver kon zien komen, in mijn herinnering was dat de Gitsberg, maar herinneringen zijn maar dat, en met elk bijkomend jaar nog een stukje meer, of minder.

Misschien was het wel de Kruiskalseide bij Lichtervelde. Dat laatste zeg ik alleen, omdat ik die naam nog wel eens wou horen: de Kruiskalseide.

Veel later had ik zelf twee zonen, en ik nam ze mee om te kijken naar de Ronde van Vlaanderen. Ik woonde inmiddels in S, een stad met een groot marktplein waar in die dagen de Ronde nog van start ging. We liepen langs de ploegen en vergaapten ons aan de glimmende fietsen en aan de kuiten van de berijders, die ook glommen, en na de start scheurden we over de binnenwegjes naar ergens een plek in het Waasland, misschien wel Klein Sinaai, waar we ze nog eens voorbij zagen rijden. Op 't gemak, de koers was net begonnen.

Nog later zat ik op die zondagen voor mijn televietoestel, een keer hoorde ik op de autoradio hoe Van Petegem won voor Vandenbroucke en Museeuw, denk ik. In mijn herinnering was ik toen ergens tussen Cassel en Saint-Omer.

De laatste jaren kijk ik niet meer, en gisteren vroeg ik me af: hoe kwam dat ook weer, eigenlijk?