dinsdag 28 januari 2020

28 januari


De Britten zijn zo blij met hun vertrek uit de EU, dat ze vast drie miljoen muntjes van 50 pence gemaakt hebben om de heuglijke exit te vieren. Peace, prosperity and friendship with all nations staat erop, en natuurlijk de historische datum 31 January 2020. Andere Britten vinden die munt maar niets. Niet zozeer omdat zij veel liever in de EU waren gebleven, maar omdat er geen komma staat achter prosperity.

Die Oxford of serial comma, vinden deze Britten, moet staan voor and en het laatste lid van de opsomming. Zijn jullie gek geworden? riep zo'n spelling-minnende Brit ooit uit, toen het (valse) gerucht ging dat de stijlgids van de University of Oxford zelve de Oxford comma wou laten vallen. De Oxford comma is wat ons van de dieren onderscheidt, legde die Brit verder uit.

Lang niet alle echte kenners vinden die komma zo nodig. Maar voor een zin als: Ik draag dit boek op aan mijn ouders, Hugo Claus, en Kristien Hemmerechts moeten ze toch passen. Ik heb het allemaal uit The Guardian, waar nog een hoop meer kolder over die kommahistorie te lezen valt. Ik weet niet of ik de Britten ga missen, na 31 januari. Maar hun zin voor onzin, zeer zeker.

maandag 27 januari 2020

27 januari


Een van de dagen als het eens niet regent steek ik in mijn tuin een vuurtje aan, tant pis voor de koolstofuitstoot. Ik heb niet veel meer nodig dan wat lucifers. De rest zijn kranten, een hele hoop die hier nog ligt, half gelezen en dubbel gekreukt. Ja ik zou ze ook in de doos van het oud papier kunnen doen om weg te brengen naar wat hier 'het containerpark' heet. Maar dat zou mij niet helpen. Het gaat me net om het vuur, het verbranden, het voorgoed vernietigen, tot as herleiden van al de ellende. Het louterend vuur. Als het gedoofd is, vanzelf is uitgegaan uit gebrek aan verdere brandstof, kan ik weer verder met mijn leven. In dat leven lees ik nog wel, maar alleen werk van fictie. Wat er aan wreedheid en dommigheid en slechte wil en onkunde en aan blinde rampspoed op deze wereld allemaal gebeurt, ik hoef het niet meer te zien. Niet op de televisie ook, of op mijn laptop, of mijn smartphone, of mijn tablet, of hoe die gladde tuigen ook heten. Ik vang wel iets op hier of daar, op de tram of de bus, in het café waar ik mijn koffie drink af en toe en mij niet langer druk hoef te maken of de krant weer bezet is. Of iemand komt op bezoek en begint bij zijn eerste glas al over het coronavirus, dat weet ik dan ook weer. Ik luister beleefd tot er een pauze valt. Dan vraag ik: 'En hoe gaat het met de vrouw?'

zaterdag 25 januari 2020

25 januari





Ik hang mezenbolletjes in mijn appelboom, maar dan komt de eekhoorn en eet de bolletjes op. Geen nood, ik timmer een eekhoornnootjesbar in elkaar, met wat hulp van Natuurpunt en YouTube. Ik doe er apennootjes in. Wat gebeurt er? Precies. De mezen gaan er met de nootjes van door. Moraal: de dieren, anders dan homo sapiens, denken niet in hokjes. Mezen-bolletjes zijn ook eekhoornbolletjes, eekhoornnootjesbars zijn ook mezennootjesbars. En apenootjes zijn veel mooier met maar één n.

vrijdag 24 januari 2020

24 januari


Ik heb melk gekocht bij Carrefour. Een liter halfvolle weidemelk. Goede en verantwoorde melk. Dat zeg ik niet, het staat op de doos. Van karton van verantwoorde herkomst. Wie is de baas? staat ook nog op de doos. Het antwoord is: wij. Daar ben ik zelf nu ook bij. Ik steun de boer die om de hoek woont, en zijn koeien ten minste vier maanden op het jaar buiten laat. 

Wie is de baas? is geen eenvoudige vraag meer in deze tijd van voortdenderende emancipatie. Vroeger was het simpeler. Mijn moeder stond in de winkel, een man stapte binnen en vroeg: Is de baas thuis? Niet nodig te vragen wie dat was. Toen ik aan de beurt was, sprak het al niet meer zo vanzelf. Wel was ik nog onbetwist gezinshoofd. Of mijn zonen, nu aan de beurt, dat nog zijn, moet ik ze eens vragen. 

Versta me niet verkeerd, ik vind het allemaal prima. Te veel bazen is niet goed. Tenzij ze allemaal melk kopen, en er de boer om de hoek een fatsoenlijke prijs voor betalen. 1,05 €, prijs gestemd door de consumenten. Ik heb niet meegestemd, maar 1,05 € is dik oké voor mij.

woensdag 22 januari 2020

22 januari


Nog eens lezend in De verering van Quirina T., een ongewoon boek van de ook buitengewone L.H.Wiener, bots ik op zijn onversneden lofzang op het verhaal van Winnie-the-Pooh, eigenlijk Edward Bear en favoriete knuffel van Christopher Robin, eigenlijk Christopher Milne, zoontje van A.A. Milne, die het allemaal bedacht. 

Ik schaamde me eigenlijk, schrijft Wiener, dat ik het als leraar Engels niet eerder had ontdekt. Dat was na mijn dertigste, toen ik al jarenlang voor de klas stond

Geen zorg, Wiener. Zelf sta ik al twaalf jaar niet meer voor de klas als leraar Engels, en ik ben Pooh Bear pas nu aan 't ontdekken. Dat is na mijn zeventigste. 

Christopher Robin ken ik wel al lang, sinds de tijd toen mijn nog prille gade en ik een boon ontwikkelden voor Melanie Safka, in de nadagen van Woodstock, en haar liedje Christopher Robin Is Saying His Prayers.

Dat was na mijn twintigste, waarmee ik, als Wiener zelf, in lang voorbije dagen terechtkom, in velerlei verbazingen, gretig trachtend weer te zien wat er toen was, en als het niet lukt, pas ik er ook maar een mouw aan.

dinsdag 21 januari 2020

21 januari


Midden op het uitgestrekte lege marktplein van mijn stad S kom ik een jonge gast tegen. Hij heeft een briefje en een pen in de hand. Hij speekt me aan. Hij wil weten of ik gelovig ben. Ik lach. 'Nee,' zeg ik. Of ik dan niet in een god geloof? 'Nee,' zeg ik, ondertussen traag voortstappend. Ik heb geen zin in een theologische discussie. Ik lach nog maar eens, en wens hem verder een goede dag toe. Hij mij ook.

Dat was gisteren. Vandaag loop ik door de winkelstraat van S. Een jonge gast en een meisje komen mijn kant uit. De jongen stopt, lacht vriendelijk en vraagt: 'Bent u gelovig?' 'Dat heb je me gisteren al gevraagd,' zeg ik. Hij herkent me en begint te lachen. Hij heeft weer zijn pen en papiertje in aanslag. 'Ik niet,' zeg ik, 'en jij wel.' Dat laatste weet ik niet echt, ik veronderstel het alleen maar. Hij spreekt me niet tegen. Hij lacht nog smakelijk, en wenst mij verder een goede dag toe. Ik hem ook.

Zo'n onverwacht gesprek met een aardige onbekende, daar ben ik altijd voor te vinden. Het zou nog leuker zijn natuurlijk als het over iets tastbaarders kon gaan. Laten we het zo maar zeggen: iets tastbaarders. Maar mijn weg vervolgend dacht ik vooral: waar heeft hij die pen en papier voor? Doet hij een peiling? Hoeveel mensen die ik tegenkom op straat zijn gelovig, of zeggen het te zijn, en hoeveel niet? Het lijkt me onwaarschijnlijk. Mijn nieuwsgierigheid is groot.

Zo groot dat ik hoop de jongen eerstdaags nog eens tegen te komen. Dan kan ik het hem vragen. 'Waar heb je die pen en dat papiertje voor?' vraag ik hem. Maar eerst moet hij beloven, dat hij me niets tracht te verkopen, dat hij niets van mij wilt, en dat ons gesprek op elk ogenblik, op mijn eenvoudig verzoek, kan stopgezet worden. Dan wensen we elkaar nog maar eens verder een goede dag toe, en gaan we weer elk onze gang, in geloof en ongeloof.

maandag 20 januari 2020

20 januari


Over het geslacht der engelen laat ik mij niet uit. Ik denk dat er geen engelen zijn. De discussie is wat mij betreft zonder voorwerp. Maar het lieveheersbeestje? Het kevertje met zwartgestipte oranje schilden? Zo staat het officieel in het woordenboek, waarmee een discussiepunt voorgoed is opgeklaard: de stippen zijn zwart, niet rood (oranje in Van Dale), dat is het beestje zelf, niet andersom. Hoeveel stippen? Daar kom ik op terug. Waarom noemen zoveel mensen het lievevrouwebeestje? Marienkäfer in Duitsland? Coccinellida, als er dan toch een officiële naam moet zijn, daar bestaat het Latijn voor. Familie der coccinellidae. Coccinelle in het Frans, ook wel bête à bon Dieu. Bij mij thuis was het een hemelbeestje. Staan er zeven puntjes op, dan gaat het om een zevenstippelig lieveheersbeestje. Coccinella septempunctata, à sept points, Siebenpunkter. Seven-spot ladybird. Daar is die lady weer! Zou het kunnen, dat alleen het officiële Nederlands zich van gender vergist? O nee, niet nog eens een genderdiscussie. Dan liever nog de engelen, of le bon Dieu.

zondag 19 januari 2020

19 januari


Ik luister graag wat naar de radio, ik lees elk weekend mijn krant met bijlagen, af en toe installeer ik me voor de televisie, ik strek mij op de sofa uit met mijn laptop, allemaal om voeling te houden met het wereldgebeuren in binnen- en buitenland.

Wat valt op? Dat het wereldgebeuren zich op grote delen van de wereld niet afspeelt. Hoe gaat het in Estland? In Gabon? In Botswana en Malawi? In Oezbekistan? Maleisië? Barbados, Paraguay?

Dat de berichtgeving kort is en vluchtig, maar even goed zo repetitief dat de goed menende ontvanger er snel zijn aandacht bij verliest.

Neem nu het radionieuws van elf uur 's ochtends. Dat is een doorslag van het nieuws van tien uur, zelf een doorslag van dat van negen uur. 

Zo kun je op één ochtend een keer of vier vernemen dat meer en meer personen met een beperking een beroep doen op seksuele dienstverlening, of is het hulpverlening. 
Dat is goed, maar ik wist het al uit mijn online krant, die het ook in De Zondag  gelezen had.

Neem nu die Sussexen. Natuurlijk staan ze met foto's in mijn krant, vullen ze het journaal met hun niet langer Koninklijke verschijning, wordt hun oma geciteerd tot op WDR4.

Een zender waar ik graag op af mag stemmen, omdat ze er veel vrolijke muziek spelen en ook Duits spreken. Ik leer er woordjes als Lebenskünstler, waar mensen op internetforums zich het hoofd over breken: hoe zeg je dat in het Engels?

Een van de vele voordelen van ouder worden is, dat je eindelijk ophoudt iedereen na te praten die zegt dat het Duits een lelijke taal is, hooguit geschikt voor slechte Herr Flick-imitaties.

Niets is minder waar. Rechtsfahrgebot: zeg dat eens in het Nederlands? Op zo'n ochtend met WDR4 hoor je een dozijn keren waar er drei Kilometer Stau is in Noordrijn-Westfalen, of stockender Verkehr, hoeveel Grad het wordt in Düsseldorf.

Van repetitief gesproken, maar nooit zo ergerlijk als de zoveelste klad non-informatie over weer een formatie-, pardon informatie-, of is het preformatieronde hier te lande.

En welk land? Ooit met mijn prille of zeer aanstaande gade de Duitse grens passerend, we spreken late sixties begin seventies, in de witte Opel Kadett coupé waar een VL- sticker op zat, omdat wij nog niet oud genoeg waren om die eraf te doen, werden wij door de grensbeambte streng toegesproken. Hij wou weten wat VL wou zeggen. 

Flandern? klonk het onthutst. Das ist doch kein Land?
Genau. Ik moest het eerst eens in het Duits gehoord hebben.

dinsdag 14 januari 2020

14 januari


Gisteren nog eens naar Gent geweest. Dat was een hele tijd geleden. Ik had de trein genomen naar Gent Dampoort, en daar vandaan ging het lopend naar het Sint-Baafsplein. Dat laatste traject had ik nooit eerder te voet afgelegd, dus had ik thuis een plannetje van het internet uitgeprint, en daarop mijn route met forse pijlen uitgezet, er rekening mee houdend dat ik mijn reisplan mogelijk in het donker zou moeten gebruiken. 

Helaas maar niet geheel onverwacht was ik meteen de weg kwijt. Dus sprak ik twee voorbijgangers aan, die me  weer op het rechte pad zetten. Geen twee minuten later werd ik zelf door iemand staande gehouden. Of ik van Gent was, en of ik hem de n-straat kon wijzen, waarbij n staat voor de naam die ik inmiddels vergeten ben. Dat was dus tweemaal nee, en dat het me speet. 

Iets verder was ik alweer helemaal uit koers, maar gelukkig ving ik hier en daar tussen twee steegjes een glimp op van de Sint-Baafskathedraal, of van het Belfort, beide uitbundig verlicht en, zoals het zulke bouwwerken past, een flink stuk boven de belendende percelen uitstekend. Zo arriveerde ik nog ruim op tijd bij de brasserie waar mijn afspraak was. Het was er donker. Op de deur hing een brief, mij meedelend dat de zaak voor een weekje gesloten bleef. 

Het is allemaal goed afgelopen. Een half uurtje later zaten we in de foyer bij een glas een of ander de kosten en de baten af te wegen van de Gentse lage-emissiezone. Dat is niet eenvoudig, maar vast staat dat ik, dezelfde reis per auto makend, niet half zoveel pret had gehad.

donderdag 9 januari 2020

9 januari


Vandaag in de krant: het woordje dwaalgast. Een uit koers geraakte trekvogel, die in Knokke-Heist opduikt of in Oud-Turnhout, terwijl hij geacht wordt in Zuid-Amerika of in China te zitten. Te veel wind uit de verkeerde richting, maar ook: jong en onervaren. Zijn overlevingskansen in het foute deel van de wereld zijn precair. Ik moet wel meevoelen met zo'n onfortuinlijke gast. Meer nog, ik heb het gevoel dat het woord nogal eens op mezelf van toepassing is. Daar hoef ik geen duizenden kilometers voor af te leggen. Eigenlijk geen. Maar de indruk dat ik me per ongeluk van continent of halfrond heb vergist, is me bekend. Zeg maar: vertrouwd. Te veel wind heb ik niet nodig. Jong is lang geleden. Onervaren zou niet meer mogen kunnen. Maar dan hoor ik iets, of dan zie ik iets, en ik denk: waar ben ik? Waar is dit? Hoe kom ik hier? En vooral: hoe kom ik hier weer weg?

zondag 5 januari 2020

4 januari


Je kunt een vers jaar op vele manieren beginnen. Bijvoorbeeld: al kennis vergarend, door middel van een stukje research. Een klein kind kan dat doen nu, tikkend op z'n klaviertje. Zo heb ik me even verdiept in het spelletje dat in het Frans chifoumi heet, ook wel PCC, voor papier, caillou, ciseaux, of PPC voor pierre, papier, ciseaux. Elders is het shifumi, of rock, paper, scissors - blad, steen, schaar bij ons. Shifumi is Japans voor één, twee, drie (hitotsu, futatsu, mittsu). Dat ik eerst in het Frans ging zoeken, kwam doordat het woordje opdook in de Franse soap Plus belle la vie. Omdat de soap niet live kwam, kon je het beeld stoppen en terugdraaien, tot je wist hoe het spelletje heette. De twee acteurs, een man en een vrouw, speelden het om een vervelende klus naar de ander door te schuiven. Zij noemden het feuille, pierre, ciseaux, dat mag ook. Natuurlijk won de vrouw, of is dat in deze jaren twintig een ongepaste opmerking? De vervelende klus was voor de man.