Midden
op het uitgestrekte lege marktplein van mijn stad S kom ik een jonge
gast tegen. Hij heeft een briefje en een pen in de hand. Hij speekt
me aan. Hij wil weten of ik gelovig ben. Ik lach. 'Nee,' zeg ik. Of
ik dan niet in een god geloof? 'Nee,' zeg ik, ondertussen traag
voortstappend. Ik heb geen zin in een theologische discussie. Ik lach
nog maar eens, en wens hem verder een goede dag toe. Hij mij ook.
Dat
was gisteren. Vandaag loop ik door de winkelstraat van S. Een jonge
gast en een meisje komen mijn kant uit. De jongen stopt, lacht
vriendelijk en vraagt: 'Bent u gelovig?' 'Dat heb je me gisteren al
gevraagd,' zeg ik. Hij herkent me en begint te lachen. Hij heeft weer
zijn pen en papiertje in aanslag. 'Ik niet,' zeg ik, 'en jij wel.'
Dat laatste weet ik niet echt, ik veronderstel het alleen maar. Hij
spreekt me niet tegen. Hij lacht nog smakelijk, en wenst mij verder
een goede dag toe. Ik hem ook.
Zo'n
onverwacht gesprek met een aardige onbekende, daar ben ik altijd voor
te vinden. Het zou nog leuker zijn natuurlijk als het over iets
tastbaarders kon gaan. Laten we het zo maar zeggen: iets
tastbaarders. Maar mijn weg vervolgend dacht ik vooral: waar heeft
hij die pen en papier voor? Doet hij een peiling? Hoeveel mensen die
ik tegenkom op straat zijn gelovig, of zeggen het te zijn, en hoeveel
niet? Het lijkt me onwaarschijnlijk. Mijn nieuwsgierigheid is groot.
Zo
groot dat ik hoop de jongen eerstdaags nog eens tegen te komen. Dan
kan ik het hem vragen. 'Waar heb je die pen en dat papiertje voor?'
vraag ik hem. Maar eerst moet hij beloven, dat hij me niets tracht te
verkopen, dat hij niets van mij wilt, en dat ons gesprek op elk
ogenblik, op mijn eenvoudig verzoek, kan stopgezet worden. Dan wensen
we elkaar nog maar eens verder een goede dag toe, en gaan we weer elk
onze gang, in geloof en ongeloof.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten