dinsdag 21 januari 2020

21 januari


Midden op het uitgestrekte lege marktplein van mijn stad S kom ik een jonge gast tegen. Hij heeft een briefje en een pen in de hand. Hij speekt me aan. Hij wil weten of ik gelovig ben. Ik lach. 'Nee,' zeg ik. Of ik dan niet in een god geloof? 'Nee,' zeg ik, ondertussen traag voortstappend. Ik heb geen zin in een theologische discussie. Ik lach nog maar eens, en wens hem verder een goede dag toe. Hij mij ook.

Dat was gisteren. Vandaag loop ik door de winkelstraat van S. Een jonge gast en een meisje komen mijn kant uit. De jongen stopt, lacht vriendelijk en vraagt: 'Bent u gelovig?' 'Dat heb je me gisteren al gevraagd,' zeg ik. Hij herkent me en begint te lachen. Hij heeft weer zijn pen en papiertje in aanslag. 'Ik niet,' zeg ik, 'en jij wel.' Dat laatste weet ik niet echt, ik veronderstel het alleen maar. Hij spreekt me niet tegen. Hij lacht nog smakelijk, en wenst mij verder een goede dag toe. Ik hem ook.

Zo'n onverwacht gesprek met een aardige onbekende, daar ben ik altijd voor te vinden. Het zou nog leuker zijn natuurlijk als het over iets tastbaarders kon gaan. Laten we het zo maar zeggen: iets tastbaarders. Maar mijn weg vervolgend dacht ik vooral: waar heeft hij die pen en papier voor? Doet hij een peiling? Hoeveel mensen die ik tegenkom op straat zijn gelovig, of zeggen het te zijn, en hoeveel niet? Het lijkt me onwaarschijnlijk. Mijn nieuwsgierigheid is groot.

Zo groot dat ik hoop de jongen eerstdaags nog eens tegen te komen. Dan kan ik het hem vragen. 'Waar heb je die pen en dat papiertje voor?' vraag ik hem. Maar eerst moet hij beloven, dat hij me niets tracht te verkopen, dat hij niets van mij wilt, en dat ons gesprek op elk ogenblik, op mijn eenvoudig verzoek, kan stopgezet worden. Dan wensen we elkaar nog maar eens verder een goede dag toe, en gaan we weer elk onze gang, in geloof en ongeloof.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten